Three little birds

afbeelding van Ralph van Bemmel

In zuidoostelijk Turkije brengen we enkele dagen door op een hooggelegen camping. Het groen uitgeslagen zwembad ziet er niet aanlokkelijk uit, maar trekt toch vele bezoekers. Jonge en oude mannen zitten aan plastic tafeltjes rond het water, op tafel staan grote pannen gevuld met ingrediënten uit de regio. “Haval, haval, come here!”, schreeuwen drie Koerden van onze leeftijd. We proeven het zelfgemaakte eten dat vol zit met pepers, tomaten en schapenvlees. Heerlijk.

Aan tafel praten twee in hoog tempo tegen elkaar. “Politiek”, zegt Abraham, “geïnteresseerd?”. Met een afgekloven potlood tekent hij Turkije, Syrie, Iran en Irak. In een grote cirkel dwars door deze landen zet hij met hoofdletters: KURDISTAN. “Sinds 1976 strijden we voor een eigen land, een socialistische staat waarin we onze eigen taal kunnen spreken. Een land waarin je trots bent om Koerd te zijn.”

De filosofieën van Che Guevara, Marx en Mao worden besproken en geprezen. “Maar,” zegt Abraham, “wij leren van hen, maar gaan het op onze eigen manier doen.” Het is een revolutie om de rechten op te eisen voor het land waar ze al vijfduizend jaar wonen. Een strijd om vrij te leven als Koerd.

Hun strijd heeft zijn vruchten afgeworpen. Koerden mogen naar scholen en de Koerdische taal is erkend, voor 1976 beiden ondenkbaar. Het beloofde land laat echter nog op zich wachten, maar twijfel over de komst is er niet. “Geloof me maar, haval, het komt er aan.”